De macht van getallen: Bach en Armstrong
Lance Armstrong is door wielerjournalisten vaak verweten dat hij de koers saai maakte. Het peloton bijeenhouden, aanvallen op de laatste beklimming, voorsprong opbouwen en die uitbouwen in de tijdritten. Een té standaard recept, aldus de heren journalisten. Ze hadden ongelijk.
Wat Armstrong deed was namelijk van een ongekende fysieke en mathematische schoonheid. Te vergelijken met de muziek van Bach. De esthetiek zit ‘m in de harmonie, in het volledig wiskundig kloppen van de muziek. Zo klopten Armstrongs tourzeges ook tot in de rekenkundige perfectie. Als je die schoonheid ziet, gaat er een wereld voor je open. Over de mathematische schoonheid van sport en het testen van mijn eigen sportieve kengetallen….
De fysieke kengetallen
De wiskunde van Lance Armstrong was de wiskunde van zijn eigen lichaam. De getallen waarin zijn prestatievermogen uit te drukken is. Het belangrijkste getal daarvan is het vermogen dat iemand per kilo lichaamsgewicht kan leveren. Volgens de geleerden moet een potentiële tourwinnaar zo’n 7,5 Watt/kg kunnen leveren. Armstrong kon dat.
Een ander belangrijk getal is het omslagpunt: de hartslag waarbij het lichaam gaat verzuren. Dat verzuren houd je maar een bepaalde tijd vol. En je moet er van herstellen voordat je weer een prestatie op een bepaald niveau kan leveren. Armstrong wist precies waar zijn omslagpunt lag, en hoe lang hij daarop kon presteren zonder al teveel schade te berokkenen. En dat was bij hem tamelijk lang.
Hij speelde daarmee. In slotbeklimmingen van een touretappe ging hij op zijn omslagpunt rijden, waarbij hij door zijn vermogen even iets harder reed dan de rest. Hij kon dat ook nog eens langer volhouden. Daarmee bouwde hij zijn voorsprong op. Hij stopte dan weer op tijd met de versnelling, om goed te kunnen herstellen. De Tour is immers een meerdaagse wedstrijd en je moet keer op keer van een etappe herstellen om de volgende dag weer een topprestatie te leveren.
Zo speelde Armstrong met zijn eigen fysieke kengetallen, die ongekende waarden hadden, en bracht hij de mathematische schoonheid van de inspanningsfysiologie in de Tour. Ik vind dat prachtig.
Mijn eigen getallen
Om me goed op 8 beklimmingen van Alpe d’Huez voor te bereiden, heb ik mezelf ook maar eens door laten meten. Dat klinkt passiever dan het is, want dat gebeurt namelijk bij een inspanningstest waarbij je in een klein half uur tot je maximale inspanningsniveau gaat. Dat is geen lolletje. Daarbij ben je ook nog eens als een proefdier aan allerlei meetapparatuur gekoppeld. Dat maakt het nog minder tot een lolletje.
Bij zo’n test meten ze je vermogen, je omslagpunt, en je zuurstofopname capaciteit: dat is als het ware hoeveel zuurstof je lichaameffectief naar je spieren kan transporteren. Het vermogen was vergelijkbaar met een test vorig jaar, maar die was in mei. Dus ik heb een kleine voorsprong. Mijn maximale vermogen nu is zo’n 5,2 watt/kg. Maar ik zal nog wat afvallen richting 5 juni, dus dat gaat nog omhoog.
Mijn maximale zuurstofopname capaciteit is nu 56.1 ml/min/kg. Dat gaat ook per kilo lichaamsgewicht, dus ook dat getal gaat licht stijgen richting Alpe d’HuZes. Naar zo rond de 60 ml/min/kg. Het frappante van de zuurstofopname capaciteit is dat deze in flinke mate erfelijk bepaald is. Wel te trainen, maar binnen zekere grenzen. Met een getal van 60 weet ik dat ik aardig kan fietsen, maar nooit een Tour zal winnen, of had kunnen winnen. Goed om te weten 😉
Verbranding
De test leverde absoluut interessante informatie op. Het bleek namelijk dat ik bij een relatief lage hartslag al overschakel op koolhydraat verbranding. Dat meten ze via je adem. Bij duurinspanningen gebruik je vetverbranding en koolhydraatverbranding om energie te leveren. Koolhydraten kun je maar in beperkte hoeveelheid aanvullen tijdens een inspanning. Van vet heb je in principe een voorraad die groot genoeg is om lang door te gaan.
Met 8 keer Alpe d’Huez beklimmen ben je lang bezig: een kleine 12 uur. De hoeveelheid calorieën die je daarbij verbrandt, is op de dag zelf niet aan te vullen met koolhydraten. Het is daarom belangrijk om veel op vetverbranding te doen. Dat systeem heb ik blijkens de test nu nog onvoldoende getraind. Dat is belangrijke informatie. Door rustige duurtrainingen kan ik de vetverbranding gaan trainen.
Essentieel om nu te weten en ik mag ook nog eens rustiger gaan trainen! Soms is de macht van getallen heerlijk.