Cinglé du Mont Ventoux: deel 1
Sinds 4 september mag ik mij Cinglé du Mont Ventoux noemen. Dat betekent: ‘idioot van de Mont Ventoux’. Een eretitel die iedereen toekomt die de Ventoux op 1 dag via alledrie de mogelijke wegen opfietst.
En een volslagen idioot moet je zijn voor zo’n onderneming. Nu ben ik dat als het op fietsen aankomt, dat mag bekend zijn. Maar ik moet toegeven, de Ventoux is een berg die zich in je geheugen en benen grift!
Vele boeken zijn er over geschreven, en ook een aflevering van Andere Tijden Sport heeft de Ventoux tot mythische, welhaast demonische berg getransformeerd. Verhalen die ik altijd afdeed als overdreven fietserslatijn. Maar na 4 september geef ik grif toe, er zit een kern van waarheid in die ontzagwekkende overleveringen.
Mijn belevenissen op 4 september, de dag van de actie Groot Verzet Tegen Kanker, volgen hier:
Deel 1: Sault – Mont Ventoux
Zaterdagmorgen 6:30u. Aan de horizon verschijnt een vermoeden van dageraad. Samen met andere nerveuze vroege starters een ontbijt weggewerkt. Nu aan de start met een groepje vermetelen van zo’n 20 renners. Onder motorbegeleiding rijden we van Monbrun-les-Bains naar Sault. We werken de eerste kilometers met stijgingspercentages van 3-4%, pas grande-chose, weg.
De Provence wordt wakker. Het eerste ochtendlicht scheert over de heuvels. In de frisse morgenlucht hangt een zweem van lavendel vermengd met andere heerlijke geuren. We wisselen wat fietsersgedachten uit.
Dan fietst een man de groep voorbij. Wijzend op zijn bidonhouders. Leeg. Da’s niet slim als je bij 25 graden en meer de Ventoux gaat opfietsen. ‘Wat een malloot’ dacht ik, niet vermoedend dat deze man mijn maatje voor de dag zou worden.
Klim
We bereiken Sault, en vandaar gaan we via een korte afdaling naar het dal waar de klim naar de Mont Ventoux echt begint. Voor de goede orde, de ‘Sault-kant’ wordt -terecht- de ‘mietjeskant’ genoemd. Weliswaar lang, 26 kilometer, maar met een gemiddeld stijgingspercentage van 4,5% niet schrikbarend. Alleen de laatste 6 kilometer zijn serieus.
Tijdens de eerste oplopende meters pak ik mijn eigen tempo. Ik kijk om en tot mijn verbazing zie ik dat er een gat tussen mij en de groep is. Nu ja, ze komen zo wel weer bij. Rustig peddel ik in mijn eigen tempo door, met een schuin oog de hartslagmeter in de gaten houdend.
Ton
Zoals iedere beklimming heb ik iemand in gedachten die aan kanker is gestorven, er nu mee kampt, of ervan genezen is. Deze klim is dat Ton Honig. De dominee die Lieke en mij getrouwd heeft. Als kind heeft hij decennia geleden kanker gehad. Daarvan is hij toen genezen, maar de agressieve behandelingen van toen hebben blijvende en onherstelbare schade in zijn lichaam aangericht. Met name aan hart en bloedvaten.
Over de jaren heen heeft Ton de dood verscheidene malen in het gezicht uitgelachen. Hij was over het randje, maar keerde iedere keer weer terug in het volle leven. Tot in juni. Toen een herseninfarct hem fataal werd. Geleefd alsof ie honderd jaar was, maar toch met 52 uit het aardse bestaan gerukt.
Tijdens zijn uitvaart zongen we het lied ‘Dan zal ik leven’. Op deze ochtend in de Provence rijd ik zelf dwars door dat lied, en zing het in gedachten.
Dan zal ik leven
(Bron: H. Oosterhuis)
Het zal in alle vroegte zijn als toen.
De steen is weggerold.
Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn o gen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet –
wij zijn in bekenden veranderd.
Het zal in alle vroegte zijn als toen.
De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen, aren
waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in,
bergopwaarts, en worden wolken.
Daarachter,
kristal geworden, verblindend,
de zee die haar doden teruggaf.
Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam
heeft geroepen.
Dan zal er nieuw leven zijn.
Dan zullen wij leven.
Dan zal ik leven.
Bos
Zo in mezelf zingend rijd ik van de velden het bos in. Nog steeds alleen. De groep komt verbazingwekkend niet echt dichterbij. Ik blijf mijn hartslag op een acceptabel niveau houden, waarvan ik weet dat ik het lang volhoud.
Gaandeweg komt een fietser uit de groep bij me en sluit aan. Op dat moment bereiken we ook een stuk dat bijna vlak loopt, dus met ruim 20 per uur scheren we over het vals plat. Hij verexcuseert zich en blijft lekker achter me uit de wind hangen.
Kaal
Dan Chalet Reynard, het einde van het bos, het begin van de kale vlakte. Voor ons doemt de top op in het ochtendlicht. Een frisse wind blaast om de oren, en op sommige stukken, vol op de kop. Geen echt harde wind, maar toch een vertragende factor.
De stijgingspercentages lopen danig op, en Martin -zo heet mijn metgezel- en ik wisselen nu de kop een beetje af. Vol ontzag kijk ik af en toe naar de top, die ongenaakbaar licht te blinken in het koele licht. We passeren het monument voor Tom Simpson. Een respectvolle groet, en dan door, de laatste 1500m naar de top.
Top
Om een bocht kijken we naar het noorden, en hebben een fantastisch uitzicht op de Alpen, die zich aan de horizon uitstrekken. Dan weer de focus op het fietsen. Zo bereiken Martin en ik samen de top. Als eerste van de groep. Dat had ik vantevoren niet gedacht! Ik verwachtte niet de langzaamste klimmer te zijn, maar echt met de besten naar boven, dat is andere koek.
Na de gelukzalige momenten zo op een stille, eenzame bergtop in de morgen vol te hebben opgesnoven, trek ik een windjack aan en zet de afdaling richting Bédoin in. Snel daver ik door het beruchte bos naar beneden, onderwijl wandelaars, handbikers en een enkele fietser van de actie Groot Verzet Tegen Kanker groetend. Op weg naar Bédoin, waar om 10:00u de start van de grote groep zal plaatsvinden, en waar ik bij wil zijn.

